Evaluatie krimpgelden : Kijk voorbij de krimp

Vanaf 2016 kregen negen krimpregio’s een extra decentralisatie-uitkering (DU) van samen €11,2 miljoen per jaar. In het rapport ‘Kijk voorbij Krimp’ keken onderzoekers van CEBEON hoe regio’s dit geld inzetten en of het ook bijdroeg aan een meer regionale en integrale aanpak van de krimpproblematiek. Dit voorjaar komt het ministerie van Binnenlandse Zaken met een evaluatie van het Nationale Actieplan Bevolkingsdaling en wordt ook bekeken of en hoe extra middelen voor krimpgebieden worden ingezet.

De decentrale krimpgelden werden door gemeenten vooral voor ruimte en wonen gebruikt, maar ook voor plannen om regio’s aantrekkelijker te maken en om samen te werken. Soms was het ook een noodzakelijke aanvulling voor de gewone budgetten, krimpgemeenten blijken wat meer uit te geven per inwoner en hebben minder inkomsten.

Oost-Groningen
In Oost Groningen, waar geen aardbevingsgelden naartoe gaan, hebben de DU-middelen een belangrijke bijdrage geleverd aan de financiering van het Regionaal Woon en Leefbaarheidsplan (RWLP) . Dit RWLP wordt door meer betrokkenen aangewezen als ‘topper’ in de regio. Er zit veel kwaliteit in dit plan en men werkt hierbij effectief en over grenzen (sectoraal en geografisch) heen. In het RWLP werd in 2016 de ‘menukaart particuliere woningvoorraad’ gepresenteerd met daarin ‘keuzegerechten’: projecten die als laaghangend fruit kunnen worden gezien omdat ze op korte termijn tegen bescheiden middelen tot duidelijke resultaten kunnen leiden.
Onder meer via het RWLP heeft de DU geleid tot meer experimenten en een groeiend bewustzijn van de problematiek. De pilot ‘energiecoaches’ in Musselkanaal en Westerwolde zijn voorbeelden van experimenten die zijn geïnitieerd door het RWLP. Hierin zijn huishoudens bezocht voor een gesprek en advies over energiegebruik. Experimenteren is zinvol, want het levert inzichten op over succes- en faalfactoren en zo verbetering van de aanpak/methodiek, maar na het experiment is het geld op voor een vervolg.

Triggergeld
Het Centrum voor Beleidsondersteunend Onderzoek geeft aan dat de DU vooral is aangewend voor Ruimte en wonen (inclusief mobiliteit) en daarnaast toekomstgericht is ingezet op het economisch aantrekkelijker maken van de regio, aansluitend op de thema’s met betrekking tot duurzaamheid, zoals energietransitie en klimaatadaptatie.
‘In een regio als Zuid-Limburg lag het zwaartepunt van de krimpgelden bij de regio Parkstad Limburg, waar de gelden zijn ingezet voor leefbaarheidsdoelen, grootschalige fysieke herstructurering en economisch structuurversterking. Soms kon het geld als trigger-geld of hefboom ingezet worden om grotere investeringen aan te jagen. Volgens de respondenten is in Rolduckerveld (Kerkrade-Oost)met € 5,5 miljoen subsidie een innvestering van € 117 miljoen opgehaald. Maar het geld hielp ook bij het financieren van kleinere projecten in kleinere kernen, omdat ze zorgden voor draagvlak voor krimpbeleid onder de bevolking. Ook in combinatie met andere middelen (bijv. Regiodeal) zijn de krimpgelden effectief gebleken. Ook heeft de DU regionale samenwerking bevorderd, wat zeker in Zuid-Limburg niet vanzelfsprekend was. Het belangrijkste effect van de middelen is volgens de meeste betrokkenen echter de erkenning die de regio heeft gekregen vanuit het rijksbeleid.’

In het algemeen is het geld in de regio’s dus op verschillende manieren gebruikt: als: ‘aanjaagfinanciering’ voor projecten; voor regionale plannen of een uitvoeringsagenda; voor regionale ‘coördinatie’ en/of lobby voor de regio; voor ‘cofinanciering’ voor projecten; of als ‘startkapitaal’ voor bijvoorbeeld een Woonbedrijf.

Omdat niet iedere regio gelijk is, en vooral niet op dezelfde manier met bevolkingsdaling te maken heeft, was de bijdrage per inwoner ook verschillend. In Noordoost Fryslan is de jaarlijkse bijdrage uit de DU 3 euro per inwoner in Eemsdelta 33 euro en in Oost-Groningen 17 euro per inwoner.

Kijk voorbij Krimp
De onderzoekers geven desgevraagd geen expliciet antwoord op de vraag of er weer een krimpmaatstaf voor gemeenten moet komen, of dat de decentralisatie-uitkering voortgezet moet worden. Al concluderen ze wel verschillen in uitgaven tussen gemeenten met en zonder krimp. Vooral op het gebied van de ‘zachte’ uitgaven lijken ze minder uit te geven en meer bij de inwoners zelf te leggen.
‘De analyse laat zien dat in de taakvelden met relatief veel beleidsvrijheid – zoals cultuur en ontspanning, samenkracht en burgerparticipatie, onderhoud van wegen – de krimpgemeenten onder het landelijke gemiddelde zitten. Daarbij komt dat het label ‘krimp’ maar een deel van de problematiek in de regio dekt. Dan ligt het voor de hand om buiten de verdeling van het gemeentefonds naar een oplossing te zoeken.’

Tot slot concludeert CEBEON: ‘Voor de meeste regio’s dekt de term ‘krimp’ niet meer volledig de lading. Ook roept de term ‘krimp’ beelden op die moeilijk zijn te verenigen met de economische dynamiek die het merendeel van de regio’s laat zien (Zuid-Limburg). Evenmin doet het generieke label krimp’ recht aan de verscheidenheid tussen de regio’s en de behoefte aan maatwerk. Vanuit de regio’s wordt gevraagd om regionaal beleid dat investeert in de grote opgaven op zowel het fysieke terrein (sloop, herbouw) als op het sociale terrein. Ondersteund door een dergelijk beleid kan men in de geografische periferie van ons land weer met vertrouwen naar de toekomst kijken. Noem het toekomstkracht, ontwikkeling vanuit het regionale DNA, endogeen beleid, het maakt niet uit. Maar zo’n aanpak is van belang voor heel Nederland.’
(samenvatting door Elly van der Klauw)

Download hier het rapport.