Regionaal-economische verschillen fors toegenomen

In een themabericht laten de auteurs van de Rabobank – Frits Oevering en Otto Raspe – zien hoe onze economie de afgelopen jaren in geografisch opzicht is veranderd, en proberen zij inzicht te geven in waarom de ene regio economisch beter presteert dan de andere.

Oevering en Raspe constateren dat de regionale verschillen de afgelopen decennia groter zijn geworden. De vijf economische sterke regio’s – Amsterdam, Rotterdam, Den Haag, Utrecht en Zuidoost-Brabant (Eindhoven) – vormen samen ongeveer vijftig procent van onze economie. Tegelijkertijd kent Nederland ook veel regio’s met een economisch bescheiden omvang, dat wil zeggen: meer dan de helft van de regio’s neemt tussen één en vier procent van het nationale verdienvermogen voor zijn rekening. En er zijn regio’s die zelfs minder dan één procent aandeel in de bruto toegevoegde waarde hebben, onder wie: Zuidoost- en Zuidwest-Drenthe, Zuidoost- en Zuidwest-Friesland, Zuidwest-Overijssel, Oost-Groningen en Flevoland.

Het traditionele beeld van de sterke Randstad blijft volgens de analyse van de onderzoekers niet langer overeind. De belangrijkste motoren van de economie zijn nu: de Noordvleugel van de Randstad (de regio’s Amsterdam en Utrecht), Brainport (Eindoven), de Foodvalley (Ede-Wageningen) en de regio Noord-Overijssel (Zwolle). Onder de regio’s die hun aandeel in het nationale verdienvermogen zagen afnemen: Den Haag, regio’s in de Zuidvleugel van de Randstad, Zuid- en Noord-Limburg, Noord-Friesland, Zeeuws-Vlaanderen en de Achterhoek. Twee derde van alle regio’s kunnen het groeitempo van de succesregio’s elders in het land niet meer bijhouden. Het is dus opmerkelijk dat naast de traditionele regio’s in de periferie, nu ook stedelijke regio’s als Den Haag en Arnhem/Nijmegen hun aandeel in de economie zien dalen. De ‘triomf van de stad’ gaat niet overal op.

De onderzoekers omschrijven de factoren die voor een goed ondernemerschapsklimaat zorgen: bijvoorbeeld agglomeratie- of clustervoordelen: voordelen door de nabijheid tot andere of soortgelijke en samenwerkende bedrijven, fysieke voordelen (goede bereikbaarheid of ligging ten opzichte van andere regio’s), de nabijheid tot kennisinstituten en de kwaliteit van de woon- en werkomgeving met aantrekkelijke voorzieningen. En in regio’s met een variatie in economische activiteiten groeit de werkgelegenheid sterker dan in kleinere, perifeer gelegen regio’s met een gespecialiseerde economie.

Oevering en Raspe vinden het belangrijk om bij achterblijvende regio’s te duiden waarom de groei achterblijft. In veel gevallen speelt het regionaal ondernemerschapsklimaat een belangrijkere rol dan de sectorstructuur. Dat betekent dat nationale én regionale beleidsmakers zich kunnen richten op regionale factoren die van belang zijn voor de economische ontwikkeling. Regionale beleidsmakers kunnen wel proberen om te sturen op diversiteit. Diversifiëren op basis van bestaande sterkten in de economische structuur kan een succesvolle strategie zijn om regio’s op nieuwe groeipaden te krijgen.

Tot slot vragen de onderzoekers zich af of regio’s met een geringe omvang van de economie, een laag of negatief groeitempo en een slecht ondernemerschapsklimaat wel groei moeten nastreven. Het borgen van de ‘brede welvaart’ past in die regio’s wellicht beter. Bij brede welvaart gaat het onder meer om (het op peil houden van) de woonkwaliteit of het voorzieningenniveau.

Lees het artikel (Rabobank)