“Diverse regio’s zijn veerkrachtige regio’s”

Een kennismaking met WRB-lid Frank Cörvers

Begin dit jaar is de Wetenschappelijke Reflectiegroep Bevolkingsdaling (WRB) opgericht. In een reeks portretten stellen we de zes WRB-leden één voor één voor. Na Gert-Jan Hospers, Eveline van Leeuwen en Bettina Bock, maken we nu kennis met het nieuwste WRB-lid: prof. dr. Frank Cörvers. Vanuit zijn rol als bekleder van de Neimed Leerstoel aan de Universiteit Maastricht vervangt Cörvers voormalig WRB-lid en wetenschappelijk directeur van Neimed Nol Reverda, die met emeritaat is. Naast de bijzondere leerstoel en zijn positie als hoofdonderzoek in Maastricht, is Cörvers bijzonder hoogleraar Onderwijsarbeidsmarkt aan de Universiteit van Tilburg.

Wat houdt de Neimed Leerstoel precies in?

“Het is een bijzondere Leerstoel ‘’Demografische transitie, menselijk kapitaal en werkgelegenheid’, gevestigd binnen de Universiteit Maastricht. Het Limburgse kenniscentrum Neimed is initiator van de Leerstoel. Voor deze leerstoel houd ik me bezig met vraagstukken rondom arbeidsmobiliteit, bevolkingsdaling en werkgelegenheid in de context van Limburg. Ik combineer deze leerstoel met mijn werk als hoofd van het onderzoeksprogramma ‘Menselijk kapitaal in de regio’ van het Researchcentrum voor Onderwijs en Arbeidsmarkt (ROA) aan de Universiteit Maastricht en de leerstoel ‘Arbeidsmarkt van leraren’ aan Tilburg. Opgeleid als arbeids-econoom kijk ik vooral naar de mobiliteit op de arbeidsmarkt, in relatie tot krimp en groei. Hoe worden regio’s aantrekkelijk om te wonen en werken? Hoe kunnen scholen mensen opleiden voor werk? Hoe kunnen we de arbeidsmarkt zo goed mogelijk bedienen?

Wat is er volgens jou vooral nodig voor een florerende arbeidsmarkt en een sterke regio?

“Het is onder andere belangrijk dat er voldoende diversiteit is in de regio. Als je regio’s veerkrachtig wil maken, dan moeten ze diversiteit hebben. Als regio’s verschillend zijn, valt er wat te kiezen. We zullen regio’s zodanig moeten vormgeven dat ze economisch vitaal zijn, en voldoende onderscheidend zijn van andere regio’s qua profiel en economische ontwikkeling. Ik zie dit ook in relatie tot de ontwikkeling van campussen, de rol van overheden, en de woon- en werksituatie in Randlandregio’s, die in Nederland ook nog vaak grensregio zijn. Daar hebben we allemaal iets bij te winnen. Wat je nu toch ziet is dat regio’s vaak dezelfde richting uit bewegen, waardoor ze met elkaar concurreren.
Daarnaast liggen er veel mogelijkheden voor werk en arbeidskrachten in bijvoorbeeld Duitsland die niet worden benut omdat er grensbarrières zijn. Het gaat niet alleen om verschillende belastingsystemen of sociale zekerheid, maar ook om taal- en cultuurbarrières, familienetwerken en hoe informatievoorziening is georganiseerd. Dit alles zorgt ervoor dat we ons meer met Eindhoven bezig houden dan met Aken of Hasselt. Terwijl Limburg meer buitengrenzen dan binnengrenzen heeft. Een belangrijke zaak is dus om die barrières proberen te slechten.”

De titel van je oratie in 2014 luidde: ’Krimpen zonder kramp’. Wat bedoel je daar precies mee?

“Volgens mij gaat het niet zozeer om het bestrijden van krimp. Dat moet je loslaten. Het willen krimpen of groeien is geen doel op zich, maar een gevolg van de dynamiek in de regio. Krimp is vaker een gevolg van vergrijzing en ontgroening dan van mensen die wegtrekken. Vanuit die gedachte is het vooral van belang om een goed regionaal arbeidsmarktbeleid te ontwikkelen om het aanwezige menselijke kapitaal zo goed mogelijk te benutten. We zouden ons bezig moeten houden met het in goede banen leiden van krimp door bijvoorbeeld te zorgen dat de leefbaarheid niet in het gedrang komt en er over 20 jaar nog voldoende en goed aansluitende werkgelegenheid is”.

Welke thema’s zou je graag willen behandelen met de Wetenschappelijke Reflectiegroep Bevolkingsdaling?

“Ik zou het willen hebben over hoe we van Randlandregio’s economisch vitale regio’s maken, waar het aantrekkelijk is om te leven en werken. De afgeleide vraag is dan hoe we dit kunnen doen door regio’s veerkrachtig te maken, met slimme investeringen in diversificatie van activiteiten. Dat lijkt me beter dan ingaan op vraagstukken over groei of krimp. Niet een lage of hoge bevolkingsdichtheid, niet veel of weinig werkgelegenheid in regio’s zijn een probleem, maar de transitieprocessen vanwege krimp en groei zijn problematisch om te managen en kostbaar vanwege de grote (des)investeringen. Er kan nog veel verbeteren in de samenwerking tussen gemeenten en tussen regio’s op het gebied van wonen, werken en onderwijs. Je ziet ook vaak dat er enige weerstand zit bij bewoners van kleinere gemeenten. Hoe kan je angst voor verandering wegnemen? Ik merk ook dat het Rijk en de regering vaak nog een ‘Randstedelijke’ blik hebben. Ik zou willen helpen die blik te verbreden”.