Het Rijk dient haar rol op te pakken in onze krimpregio’s

De hoofdredacteur van het NRC stelt in zijn column van 7 april, “krimpgebieden zijn een gegeven en geen probleem”. Hij haalt daarbij het door zes provincies opgestelde rapport, Nederland in balans aan, maar vindt het pleidooi voor stimulering van de regionale economie geen goed idee. Hij vindt dat “het Rijk zich verre van deze goede-bedoelingen-politiek moet houden”.

Overigens is Van der Meersch wel van mening dat het Rijk een goede infrastructuur dient te garanderen en moet zorgen voor maatwerk ten aanzien van onderwijs en zorg. Hij is daarbij van mening dat dit al gebeurt, dit is echter niet de werkelijkheid. Zo worden wegen aangelegd volgens de norm ‘waar de euro het best rendeert’ en de bekostiging van scholen gaan volgens een model dat voor heel Nederland geldt.

Van der Meersch beschouwt krimp als een gegeven waarop rijksbeleid niet van invloed zou zijn. Hier slaat hij de plank echter volledig mis. Er is een duidelijke relatie tussen economische ontwikkeling en migratie. Het bekendste voorbeeld is Detroit, na het sluiten van de autofabrieken is de stad qua inwoneraantal gehalveerd. Ook in Nederland kun je constateren dat daar waar de economische ontwikkeling de afgelopen jaren het kleinst was de migratie uit die gebieden het grootst was. Op de mate van economische ontwikkeling heeft het Rijk wel degelijk invloed. Naast haar medeverantwoordelijkheid voor het scheppen van goede voorwaarden, zoals goede infrastructurele verbindingen, zowel digitaal als fysiek, is de rijksoverheid namelijk zelf ook werkgever. Als het Rijk er bijvoorbeeld voor kiest haar nieuwe datakantoor in Groningen te huisvesten, hoeven ICT-studenten van de Hanzehogeschool Groningen niet perse voor werk naar de Randstad te verhuizen.

Met haar beleid Pieken in de Delta heeft het Rijk vooral in de Randstad geïnvesteerd, maar Nederland is groter dan dat. In onze regio’s wordt 11% van het Bruto Nationaal Product verdiend, met 10 procent van het totaal aantal arbeidsjaren. Dat betekent dat men hier bovengemiddeld productief is, maar onze regio’s worden wel gekenmerkt door een mismatch op de arbeidsmarkt. Bij dat vraagstuk is een slimme aanpak, ook door het Rijk gewenst, zoals bepleit in het eerdere aangehaalde rapport ‘Nederland in Balans’.

Overigens gaat Van der Meersch niet in op het pleidooi uit ‘Nederland in Balans’ voor een noodzakelijk ingrijpen in de woningmarkt. Een domein waarop het Rijk in het verleden overduidelijk een dominante rol heeft gepakt. Toen onze vier grote steden in de jaren 60 leegliepen (alle 4 hebben nog steeds niet het inwonertal van weleer) heeft het Rijk samen met woningcorporaties en alle andere gemeenten in Nederland voor miljarden geïnvesteerd in de benodigde sanering en verbetering van de woningen. Nu er decennia later een herstructurering nodig is van de woningvoorraad in krimpregio’s (er zijn teveel woningen en de kwaliteit is slecht) geeft het Rijk tot dit op dit moment niet thuis. Nu is het een lokaal probleem dat we zelf maar op moeten zien te lossen. Ik vind het terecht dat we in het verleden gezamenlijk een bijdrage hebben geleverd aan de benodigde herstructurering van de vier grote steden, het resultaat laat zich zien. Deze steden bloeien weer. Een soortgelijke wens heb ik ook voor onze gebieden, wij werken er zelf hard aan maar kunnen het niet alleen. Ik geloof in een divers land, maar waar wel één, waar we ons voor iedere inwoner gelijk inspannen. En mocht die gedachte voor sommigen niet economisch genoeg zijn, recent onderzoek leert dat hoe gelijkwaardiger regio’s binnen een land zijn, des te beter de economie functioneert.