Een mobiel platteland

De vraag naar vervoer zal er in de komende jaren door demografische veranderingen en technologische ontwikkelingen anders uit gaan zien. Wat zijn de effecten van deze veranderingen voor de mobiliteit in landelijke gebieden en wat betekent dit voor keuzes in het ruimtelijk beleid? Deze vragen stonden centraal in de derde ‘Road to ERSA’ lezing die de European Regional Science Association vorige week organiseerde in aanloop naar hun congres in Groningen deze zomer genaamd ‘Social Progress for Resilient Regions’.

‘We leven in de era van mobiliteit’, begon de eerste spreker Bettina Bock. Volgens de bijzonder hoogleraar Bevolkingsdaling en Leefbaarheid worden we door technologische innovaties en globalisering niet alleen steeds mobieler, maar is mobiliteit ook steeds meer statusbepalend in onze samenleving. Gebieden die bewoners veel mobiliteit en bereikbaarheid bieden, verhogen daarmee hun status, terwijl plaatsen waar dat minder lukt als ‘notspots’ worden beschouwd. Dat vanwege lage kostenefficiëntie het aanbod van publiek vervoer afneemt in krimpgebieden, is volgens Bock niet alleen een probleem voor de mensen die daar wonen, maar voor heel Nederland. Als we van de mogelijkheden die het randland biedt gebruik willen blijven maken, dan zullen we moeten zorgen voor voldoende vervoersmogelijkheden in die gebieden, stelt Bock. Als oplossingsrichting noemt zij het verschuiven van het centrum van vervoer in Nederland, nu vooral de Randstad omvattend, naar het midden van het land, waardoor minder sprake is van een periferie. Beleidsmakers en planners dienen zich af te vragen wat het doel is van bepaalde ingrepen en welke prijs we ervoor willen betalen, aldus Bock.

Op de meeste plekken voldoende tot goed

Naast Bettina Bock en haar onderzoeksgroep aan de Rijksuniversiteit Groningen heeft ook het Kennisinstituut Mobiliteit (KiM) de afgelopen jaren onderzoek gedaan naar mobiliteit en bereikbaarheid in krimpgebieden. Onderzoeker Lucas Harms laat aan de hand van grafieken en tabellen een enigszins relativerend beeld zien van de staat van mobiliteit in de regio. Afgezien van schrijdende gevallen zoals Tzummarum in Friesland, blijkt de mobiliteit en bereikbaarheid van voorzieningen op de meeste plekken momenteel nog voldoende tot goed te zijn. Een veelgehoorde verklaring is dat burgers vaak zelf met alternatieven of oplossingen komen voor bijvoorbeeld het verdwijnen van openbaar vervoer of voorzieningen. Volgens Gerard Snel, programmamanager Toekomstbeeld OV bij het ministerie van Infrastructuur en Milieu, is het op de juiste manier verbinden van zulke burgerinitiatieven een van de belangrijkste opgaven voor de toekomst van mobiliteit in Nederland. In plaats van investeren in het behoud van traditioneel openbaar vervoer in landelijke gebieden op basis van het gelijkheidsprincipe, zouden we volgens hem moeten inspelen op trends in mobiliteit en beleid maken op slim en flexibel openbaar vervoer.

Technologische innovaties

Innoveren, verbinden en het zoeken naar een balans lijken op basis van de ‘Road to ERSA’ lezing de kernwoorden te zijn voor een mobiel platteland in de toekomst. Vanuit de zaal wordt daarbij wel benadrukt dat men stil dient te staan bij wat veranderingen in vervoer betekenen voor kwetsbare groepen zoals ouderen, voor wie nieuwe vervoersmogelijkheden minder toegankelijk zijn. Een van de grote uitdagingen voor het ruimtelijk beleid in de komende jaren, zowel in de Randstad als in het Randland is hoe technologische innovaties zoals Uber een rol kunnen spelen in het verbeteren van de mobiliteit, zonder dat ze voor sociale ontwrichting zorgen.

Op 10 april organiseert het KDT de Expertmeeting Vervoersopgave voor Nederlandse krimp- en anticipeerregio’s in Middelburg.