Hoofdstuk 4: Voorzieningen en Leefbaarheid

Als de bebouwde omgeving en de economische infrastructuur de hardware vormen, dan zijn voorzieningen de software. Binnen dit kennisveld wordt veel onderzoek gedaan naar de effecten van de aan- of afwezigheid van voorzieningen op de leefbaarheid, de verschillen tussen dorpen én de potentie van burgerinitiatieven. Relatief nieuw is de aandacht voor gezondheid en levensstijl in krimpregio’s.
Waar leefbaarheid voorheen voornamelijk betrekking had op het al dan niet aanwezig zijn van voorzieningen wordt leefbaarheid tegenwoordig breder opgevat. Bij leefbaarheid gaat ook om de aanwezigheid van een gemeenschapsgevoel, collectieve activiteiten en de zorg voor elkaar. In Zeeland heeft ook economie een plaats onder de vlag van leefbaarheid. Hoewel een belangrijke rol weggelegd is voor bewoners zelf, vervullen gemeenten, woningcorporaties, marktpartijen en maatschappelijke organisaties een cruciale rol bij het verbeteren van de leefbaarheid. Werken aan leefbaarheid is een gezamenlijk opdracht voor betrokken actoren. In deze paragraaf focussen we op landelijke gebieden in de wetenschap dat vraagstukken van voorzieningen en leefbaarheid zich ook in krimpgebieden met stedelijke omgevingen zich afspelen. Denk aan delen van Heerlen, Delfzijl of Terneuzen

Aanwezigheid en gebruik van voorzieningen

Uit onderzoek is bekend dat de leefbaarheid van een dorp niet noodzakelijk afhankelijk is van het al dan niet aanwezig zijn van voorzieningen. Veel ‘woondorpen’ weten uitstekend te functioneren zonder voorzieningen. De enige voorziening die als min of meer onmisbaar wordt gezien is de aanwezigheid van een overdekte ruimte om samen te komen, of dat nu een dorpshuis, schoolklas of kroeg is.

Ook mobiliteit en interactie spelen een rol bij het ervaren van leefbaarheid. Bewoners die aangeven slecht voorzieningen te kunnen bereiken, zijn over het algemeen minder gezond en gelukkig en voelen zich vaker eenzaam. Daarnaast is er een sterk verband tussen de gebruiksfrequentie van voorzieningen en de mate van sociale interactie. Naarmate bewoners meer gebruik maken van maatschappelijke voorzieningen, zijn er meer interacties en daaruit voortvloeiend een groter gevoel van welbevinden. Het kwijtraken van de mogelijkheid tot maatschappelijke interactie is een aandachtspunt voor de zogenaamde ‘woondorpen’: dorpen met weinig of geen voorzieningen. Als de ontmoetingsfunctie hier niet meer aan een bestaande voorziening kan worden gekoppeld, omdat de voorziening er simpelweg niet meer is, is de vraag op welke wijze hij kan worden vormgegeven.

Ook de aanwezigheid van hechte dorpsgemeenschapen, buurt- en dorpscontacten, activiteiten in de leefomgeving zijn belangrijk voor de leefbaarheid in het dorp en het welzijn van de bewoners. Bewoners van dorpen waar deze aspecten voor handen zijn voelen zich gezonder en minder eenzaam. Mensen die actief zijn als vrijwilliger, aangesloten bij een vereniging of actief bij de gemeentepolitiek, zijn vaker tevreden over hun woonplaats. Voor veel dorpsbewoners oefent de combinatie van het kleinschalige dorpsleven en de vele mogelijkheden buiten het dorp aantrekkingskracht uit.

Bewoners van 75 jaar en ouder en bewoners tussen 30 en 44 jaar zijn weer sterker gericht op het eigen dorp en beoordelen de leefbaarheid positiever naarmate er meer voorzieningen zijn. Datzelfde geldt voor bewoners die financieel moeilijk rond kunnen komen, die lichamelijke beperkingen hebben of niet over een auto beschikken. Hoe beperkter de mobiliteit van de bewoner, hoe meer nabije voorzieningen worden gewaardeerd.

Juist deze bevinding legt een druk op het ontwikkelen van bereikbaarheid voor dorpen zonder eigen voorzieningen. Volgens het rapport De Toekomst Tegemoet (2016) van het SCP neemt de groep kwetsbare ouderen in krimpgebieden naar verwachting toe . Deze kwetsbare ouderen zijn voor vervoer – ondanks de aanwezigheid van doelgroepenvervoer – sterk afhankelijk van een krimpende groep mantelzorgers uit dezelfde regio. Op het moment dat er minder een beroep kan worden gedaan op mantelzorg, komt de groep ouderen die daarvan afhankelijk is in de problemen.

Dorpshuizen vervullen van oudsher een belangrijke sociale functie op het platteland. Ze herbergen tal van functies, van dorpshuis tot dorpshuis kan dat verschillen. Verenigingen vinden er onderdak en er is vaak ruimte voor vergaderingen, feesten, optredens en uitvaarten . Hoewel dorpshuizen symbool zijn voor de maatschappelijke betrokkenheid en inzet van de bewoners , staat het voortbestaan van veel van deze ontmoetingslocaties op het spel. Hoewel veel gemeenten er waarde aan hechten dorpshuizen te laten uitgroeien tot toekomstbestendige voorzieningen, beschikt niet elk dorp over de actieve dorpsgemeenschap die nodig is voor het voorbestaan ervan.

Bevolkingssamenstelling en binding

Voorzieningen worden door verschillende typen bewoners anders gebruikt. Er wordt wel onderscheid gemaakt tussen drie typen bewoners: ‘autochtone bewoners’, ‘teruggekeerde bewoners’ en ‘nieuwkomers’ . De binding van autochtone bewoners met hun woonomgeving is het grootst. Ze ondernemen hun activiteiten het meest dichtbij huis, volgen vaker regionaal nieuws, hun politieke voorkeur is traditioneler en ze wonen vaker in de grotere dorpen met voorzieningen. Nieuwkomers zijn juist progressiever en wonen vaker in kleine dorpen. Dit onderscheid in typen bewoners geeft een nieuw perspectief op binding met en tussen regio’s. Met name de kennis en het netwerk van bewoners die nu elders wonen, teruggekeerde bewoners en nieuwkomers opent mogelijkheden tot sociale verbindingen met andere regio’s en het stedelijk gebied. De aanwezigheid van dit soort verbindingen lijkt ook invloed te hebben op initiatieven in de regio. Nieuwkomers blijken vaker de rol van aanjager bij bewonersinitiatieven op zich te nemen dan hun dorpsgenoten.

De meest succesvolle burgerinitiatieven zijn die initiatieven waarin gedreven bewoners het voortouw nemen. De vraag is wel hoe overheden zich tot burgerinitiatieven moeten verhouden omdat de mate van inzet verschilt per dorp. Er zijn dorpen waar van alles wordt ondernomen en dorpen waar op sociaal gebied weinig of niets wordt ondernomen. Er bestaat grote behoefte aan meer zicht op de zelfredzaamheid van dorpen, omdat het aanwezige sociaal en cultureel kapitaal zo sterk kan verschillen. Op welke wijze moeten gemeenten zich verhouden tot respectievelijk actieve en passieve dorpen? Hoe zorgen overheden ervoor dat hun steun niet de aanwezige maatschappelijke en territoriale ongelijkheid versterkt? Hoe vinden ze samen met de initiatiefnemers de balans tussen lokaal en regionaal belang? Burgerinitiatieven die veelal gericht zijn op hun eigen dorp kunnen ervoor zorgen dat voorzieningen worden behouden op een plaats waar deze gezien de regionale situatie niet het meest nodig is. En hoe zorgen ze ervoor dat het initiatief – vaak voortgekomen uit de sluiting van een voorziening – niet meer kost dan het in stand houden van de voorziening waar het ooit om was begonnen?

Gemeenten bezuinigen op sport- en cultuuraccommodaties via schaalvergroting en het overdragen van financiële verantwoordelijkheid aan verenigingen. Het resultaat is een groter beroep op de vrijwillige inzet van de leden. Door deze schaalvergroting, maar ook door de vergrijzing binnen de besturen van verenigingen, is er behoefte aan een nieuwe generatie vrijwilligers met de juiste expertise en ervaring. Bestuurskracht is essentieel voor het voortbestaan van sport- en culturele verenigingen. Dit vergt een hoge mate van professionaliteit van burgerinzet en de civil society. Het is echter de vraag of deze burgerkracht altijd (voldoende) aanwezig is. In het bijzonder bij de veranderende bevolkingssamenstelling in krimpgebieden.

Gezondheid, bereikbaarheid en mobiliteit

Goede eerstelijnszorg bespaart kosten, omdat patiënten daardoor minder vaak duurdere specialisten raadplegen en langer thuis kunnen blijven wonen. Huisartsen gaan echter steeds vaker in groepspraktijken werken. Door deze schaalvergroting daalt het aantal praktijken en verslechtert de bereikbaarheid. Inmiddels zijn reistijden van 20 minuten met de auto geen uitzondering meer. Bewoners van krimpgebieden zijn volgens het SCP-rapport De Toekomst Tegemoet gemiddeld minder gezond en ouder dan bewoners in andere gebieden in Nederland. Het SCP verwacht op basis van hun onderzoek dat gezondheidsverschillen tussen de Randstad en krimpgebieden in de nabije toekomst alleen maar groter worden.

Dorpsbewoners leggen meer kilometers af dan stedelingen. Deze kilometers besteden ze hoofdzakelijk aan woon-werkverkeer. Dorpsbewoners in krimpgebieden leggen verhoudingsgewijs juist minder kilometers af voor woon-werkverkeer dan dorpsbewoners buiten de krimpgebieden, omdat ze relatief dicht bij huis werken. Zij maken juist meer kilometers voor het bezoeken van vrienden en familie . Voor bewoners is de bereikbaarheid van voorzieningen bepalend voor het gebruik ervan. De auto stelt dorpsbewoners in staat winkels te bezoeken die niet op loopafstand bereikbaar zijn.

Ook internet speelt een belangrijke rol bij bereikbaarheid. Bewoners van dorpen maken relatief vaker gebruik van internet om aankopen te doen. Er bestaan ten aanzien van internet en technologische innovaties hoge verwachtingen voor het kunnen blijven garanderen van medische zorg, onderwijs en sociale contacten voor bewoners in krimpregio’s. Tegelijkertijd moeten we vaststellen dat daar nog relatief weinig onderzoek naar is gedaan. Wel experimenteert de provincie Groningen met een pilot naar 5G internet in dunbevolkte gebieden .

Kennisvragen voorzieningen en leefomgeving

24. Welke rol speelt krimp in het ontstaan van sociale innovaties die relevant en toepasbaar zijn in stad én regio?

25. Waar liggen grenzen van burgerinitiatief in krimpgebieden en welke maatregelen kunnen de mogelijkheden van burgerinitiatief in deze gebieden vergroten?

26. Met welke aanpassingen houden we dorpen met weinig of geen voorzieningen leefbaar voor bewoners in alle leeftijdsgroepen? Welke oplossingen zijn nodig wanneer met name de groep ouderen groeit en de gedeelde mobiliteit van de gemeenschap afneemt?

27. Hoe zorgen we er voor dat er geen verschillen tussen dorpen ontstaan in de ondersteuning van actieve en passieve dorpen? En hoe zorgen we er voor dat reactief bewonersinitiatief niet meer vraagt van de aanwezige reserves dan het in stand houden van de voorzieningen waar het om begon? En vergeet ook niet de krimpende steden

28. Hoe kunnen we het mobiliteit- en migratievraagstuk effectief benutten voor krimpregio’s, dat wil zeggen hoe kunnen we ook het sociaal, economisch en cultureel kapitaal benutten van mensen die uit krimpregio’s zijn vertrokken of daar nieuw zijn komen wonen? Welke rol speelt groei door immigratie in deze context? Denk aan de komst van arbeidsmigranten en vluchtelingen.

29. Leidt de ontwikkeling van een integrale afweging tussen verstedelijkings- en krimpvraagstukken tot duurzamere beleidsafwegingen? Welke beleids- en onderzoeksbeperkingen moeten overwonnen worden om tot deze afweging te komen?

30. Welke motieven, zoals verbondenheid, traditie, cultuur en cultuurparticipatie, spelen een rol bij de keuze om in het dorp te blijven wonen of terug te keren?