Hoofdstuk 2: Economische vitaliteit

We zien de urgentie in krimp- en anticipeerregio’s toenemen om deze regio’s economisch te versterken . Zo zijn er commissies die door de provincies Groningen, Limburg en Zeeland de achterliggende jaren zijn aangesteld om o.a. na te denken over de economische structuur van (delen van) hun provincie . Werken aan economische vitaliteit heeft een prominentere plaats gekregen binnen ‘de leefbaarheidsagenda’ van krimpende regio’s. Zie bijvoorbeeld de kennisagenda van het Kennisnetwerk Krimp Noord-Nederland (KKNN). De belangrijkste vraag voor de komende jaren is hoe in krimpgebieden een passende transformatie van economische activiteiten en werkgelegenheid kan worden bewerkstelligd.

Economische dragers en regionale focus

Op het moment dat in krimp- en anticipeerregio’s economische dragers wegvallen, verhevigen zich de sociale en fysieke problemen binnen deze gebieden. Economische dragers zijn clusters van economische activiteit die een bijdrage leveren aan de economische structuur van het gebied. De sleutel in het accommoderen van krimpvraagstukken ligt in de mate waarin deze regio’s economische dragers weten vast te houden en in het bijzonder nieuwe innovatieve dragers weten te ontwikkelen – dan wel op een slimme manier weten aan te haken bij economisch meer krachtige regio’s in de directe omgeving, ook over de grens. In het laatste geval wordt geaccepteerd dat de krimpende regio vooral een woonfunctie vervult: het werk is elders, maar de krimpende regio excelleert in een hoge woonkwaliteit.

Meer in het algemeen is in Nederland het regionale perspectief binnen het economisch beleid aangescherpt . De achterliggende jaren zijn ook de verschillen tussen de verschillende krimp- en anticipeerregio’s beter onderkend. Regio’s verschillen in de mate waarin ze gespecialiseerd zijn in bepaalde sectoren, de mate van economische diversificatie, de omvang en structuur van werkgelegenheid en werkloosh
eid en de mate waarin demografische transities (krimp/groei en vergrijzing/verjonging) zich voltrekken. De situatie in Noordoost Groningen is een andere dan die in Parkstad-Limburg of Zeeuws-Vlaanderen. Er zijn grote verschillen en dat betekent ook dat aanpakken zullen verschillen.

Gebruik maken van het economisch DNA van de regio

Over hoe de economische dynamiek in de verschillende krimp- en anticipeerregio’s kan worden versterkt, is tot op zekere hoogte consensus. De consensus bestaat eruit dat grote nadruk ligt op het aansluiten bij het endogene potentieel van het gebied. Het meest kansrijk is de economie die aansluit bij het historisch gegroeide economische DNA van de streek, zoals de huidige maakindustrie in de Achterhoek zijn wortels heeft in de ijzerindustrie die van oudsher in het gebied aanwezig was.

Innovatie vindt zijn oorsprong altijd in iets bekends of vertrouwds, hoe radicaal de switch die er vervolgens ook aan wordt gegeven.
De DNA-metafoor sluit radicale vernieuwing en transformatie niet uit. Zie de ontwikkeling in Heerlen, waar de eerdere vestiging van de Belastingdienst, ANP en CBS de basis vormt voor nieuwe ontwikkelingen op het gebied van smart data. Juist het (h)erkennen van deze basis biedt ruimte voor innovatieve doorgroei. Tegelijkertijd rijst de vraag of sommige krimpregio’s voldoende eigen kracht bezitten om hun economie te versterken.
In hoeverre hebben zij krachten van buiten nodig (landelijke overheid, economisch sterkere buurregio’s) en welke dan? Hoe kunnen krimpregio’s met mogelijke gepaste steun hun verdienvermogen vergroten? Deze vraag heeft ook een methodisch aspect: langs welke methodische weg is dit potentieel bloot te leggen? Zie bijvoorbeeld de vitaliteitsscan die de Fryske Akademy en de provincie Friesland hebben gemaakt .

Het belang van differentiatie

In het vinden van de juiste aanpak bij het stimuleren van de economische dynamiek in krimpende regio’s lijken nog belangrijke stappen te kunnen worden gezet. Provincies en regio’s zijn wat hun regionaal economisch beleid betreft nog te weinig onderscheidend. Heersende economische modes regeren. Bij het stimuleren van de regionale economie in het verleden is vaak te veel ingezet op modieuze, gewenste ontwikkelingen (life sciences, creatieve industrie) zonder dat er gekeken werd naar het economisch DNA van het gebied. De aandacht voor regio-specifieke specialisatie neemt toe – in hoeverre daar gedurfde beleidskeuzes uit zullen voortvloeien zal de nabije toekomst uitwijzen.

Aantrekken, opleiden en behouden van personeel

Binnen krimpregio’s krijgt beleid voor hoger opgeleiden, middelbaar opgeleiden en lager opgeleiden meer en meer vorm . In het geval van hoger opgeleiden is het aanwezig zijn van de juiste woonmilieus en voorzieningenaanbod een belangrijk aandachtspunt. Onder welke condities laten zij zich binden? Belangrijk bij het stimuleren van innovatieve werkgelegenheid is de afstemming met hoger beroepsonderwijs en universitair onderwijs. Zie Limburg waar op de Chemelot Campus bij Geleen een clustering plaatsvindt van tal van innovatieve bedrijfjes en startups op het terrein van de chemie en de biobased industrie.

Tegelijkertijd zullen er in krimpregio’s voor mensen met een universitaire of hogere beroepsopleiding maar een beperkt aantal banen zijn – hoewel dat per krimpregio verschilt. In krimpregio’s wonen vooral mbo’ers. Zo typeert het Noorden zichzelf als ‘MBO-economie’. Veel ondernemers in het Noorden hebben een MBO-achtergrond, ook in de beroepsbevolking en de werkgelegenheid is het MBO oververtegenwoordigd . De uitdaging is goede MBO-ers vast te houden en hen opleidingen aan te bieden met arbeidsmarktkansen.
Voorts ligt er de opgave studenten en werknemers met een opleidingsniveau MBO-2 en MBO-3 naar banen te begeleiden. Door robotisering en digitalisering staan veel van hun banen op het spel. Tegelijkertijd zijn deze werknemers en studenten zeer streekgebonden. Wat moet er gebeuren om hun kansen te vergroten?

Sociale en hybride economie

Wat betreft de onderkant van de arbeidsmarkt (uitkeringsgerechtigden, langdurig werklozen) ligt er voor gemeenten en regionale werkbedrijven een belangrijke taak. Ook hier zijn stappen nodig. Moed kan worden geput uit initiatieven van bijvoorbeeld ondernemers die kans zien om winstgevende bedrijven op te zetten met arbeidsgehandicapten. We zien het fenomeen sociaal ondernemerschap in Nederland groeien . De kern van sociaal ondernemerschap ligt in het verbinden van sociale doelstellingen met economische activiteiten. Nu voorzieningen (sociale werkvoorziening) en uitkeringen (denk aan de Wajong) worden afgebouwd of versoberd, ontstaat er in toenemende mate een markt voor bedrijven die zich richten op specifieke groepen uitkeringsgerechtigden. In krimpregio’s lijken voor hen kansen te liggen op banen in het publieke domein, denk aan kleinschalig openbaar vervoer en aan assistent-functies in zorg en onderwijs. Daarnaast kenthet platteland tradities van nevenactiviteiten en nevenbedrijfjes. Dit vult de uitkering of het hoofdinkomen aan en zorgt voor reuring, levendigheid en heeft ook een sociale betekenis . Zo ontstaat een hybride economie. Deze hybridisering (seizoensgebonden werk aangevuld met ruileconomie en activiteiten in informele sfeer) is van oudsher een overlevingsstrategie geweest van bestaansonzekere groepen. Wellicht zijn kwetsbare groepen zelfredzamer dan armoedestatistieken lijken te suggereren .

Grensoverschrijdende samenwerking

Voorts ligt er al heel lang het dossier van het stimuleren van grensoverschrijdende samenwerking. Landsgrenzen belemmeren nog altijd het functioneren van de arbeidsmarkt binnen Europa. Arbeidsmarkten functioneren sterk gescheiden. De grenspendel is momenteel minimaal, er werken vooralsnog meer Belgen en Duitsers in Nederland dan andersom. De potentie voor grensoverschrijdend weken verschilt per regio: niet overal zijn evenveel banen over de grens bereikbaar, plus niet alle banen zijn geschikt voor elke werknemer. Volledig open grenzen zijn voor grensregio’s alleen gunstig als de vaardigheden van de werknemers uit de ene regio aansluiten bij de vaardigheden die het werk in e andere regio vereist. Zo niet, dan hebben werknemers – zonder omscholing – moeite een baan te vinden aan de andere kant van de grens, ongeacht hoeveel banen daar zijn. Toch worden de potenties van grensoverschrijdende pendel nog maar beperkt benut. Er lijken in het bijzonder voor Zuid-Limburg en Zeeuws-Vlaanderen kansen te liggen. Maar dat is vaker gezegd. Onderzoek legt bloot dat op het punt van verschillen in opleidingseisen, diploma-waardering, omgangsvormen, bedrijfscultuur, taal en belastingstelsel er nog belangrijke stappen moeten worden gezet. Datzelfde geldt voor het versterken van sociale netwerken. Onbekend maakt onbemind. Het versterken van sociale relaties kan vliegwiel zijn voor het versterken van economisch verkeer over en weer. Hoewel grensarbeid en grenspendel op dit moment actief gestimuleerd wordt door gemeenten, provincies, Rijk en Europa mist het dossier een harde empirisch basis over. Betrouwbare, actuele regio- en landenvergelijkbare statistieken over vacatures, aard en kwalificaties van de beroepsbevolking ontbreken, zo ook cijfers over werkloosheid en inactiviteit.

Het belang van bereikbaarheid

Bereikbaarheid via internetverbindingen, wegen en openbaar vervoer zijn voor krimpregio’s van levensbelang. Wat is het effect van snellere verbindingen (ook digitale verbindingen) tussen grootstedelijke regio’s en het ommeland? Wat is het effect van snellere fysieke verbindingen tussen de woonlocatie en de werklocatie? Betere verbindingen hoeven niet per definitie economisch gunstig uit te pakken voor krimpregio’s, ze zouden juist ook het vertrek of de pendel naar elders kunnen stimuleren. Brengt de nieuwe snelle verbinding tussen de Achterhoek en Enschede (de N18) meer economische activiteit of gaan er nog meer mensen uit de Achterhoek in Enschede werken? Niettemin, vanuit Zuid-Limburg zijn buurlanden en belangrijke steden (Aken, Brussel) met het openbaar vervoer slecht bereikbaar. Zeeland is met openbaar vervoer gebrekkig verbonden met delen van Nederland. Er is geen snelle intercity die het pendelen vanuit en naar de Randstad vergemakkelijkt. De betekenis van de HSL is ooit alleen geëvalueerd met het oog op de economische belangen van de Randstad, nu grote delen van het Noorden met demografische krimp te maken hebben en krijgen, biedt dit wellicht een nieuw perspectief. De aanwezigheid van een snelle HSL naar het Noorden kan niet alleen een sterke stimulans zijn voor de markt voor tweede huizen, maar ook een economische stimulans, o.a. voor het toerisme. Zie buurland Duitsland. Daar gaan snelle treinen vanuit het Ruhrgebied naar de Duitse Waddenkunst.

Toerisme en zorg als groeimarkten

Hoewel betrokkenen waarschuwen voor te grote nadruk op toerisme, is de aanwezige rust en ruimte een troefkaart die wordt uitgespeeld . Toerisme is niet dé oplossing, maar één van de verder te ontwikkelen potenties, al verschillen (delen van) krimpregio’s in landschappelijke aantrekkingskracht. Parkstad Limburg won vorig jaar de prestigieuze Tourisme of Tomorrow-award. Veel nieuwe banen in Zuid-Limburg zijn met toerisme verbonden. In krimpregio Zeeuws-Vlaanderen wordt innovatieve kustversterking gecombineerd met natuurontwikkeling en toerisme. In het Noorden probeert men het potentieel dat het UNESCO Werelderfgoed Waddengebied vertegenwoordigt beter te benutten , zie het Waterfront in Delfzijl en de plannen rond Holwerd aan Zee.
Ook in de zorg liggen economische kansen . Niet alleen is de zorg een groeisector vanwege de vergrijzing, maar ook vertegenwoordigt de groep vitale, koopkrachtige ouderen een interessante nichemarkt voor activiteiten in de sfeer van healthy aging, biresidentialiteit (markt voor tweede huizen) en retourmigratie. Er is een categorie ouderen die na hun pensionering op zoek gaat naar een laatste invulling van hun leven (‘nog een keer iets anders’). Binnen die groep zit ook een niche die wellicht overweegt zich te vestigen in een landelijke krimpregio.

Kennisvragen bij economische vitaliteit

6. Op welke manier kunnen krimpregio’s hun economische potenties herkennen, erkennen en verder uitbouwen, en welke mogelijke ondersteuning van de provinciale en/of nationale overheid is daarvoor nodig?

7. Spelen krimpregio’s voldoende in op de kansen die er liggen op de domeinen van toerisme en zorg?

8. Wat is het economische én sociale potentieel van grensgemeenschappen en hoe kunnen grensgemeenschappen hun aanwezige sociale en economische potentieel verder tot ontwikkeling brengen, bijvoorbeeld door het overbruggen van verschillen in werkcultuur of het wederzijds erkennen van diploma’s?

9. Welke ingrepen ondersteunen een betere afstemming tussen de opleiding en aanbod van en de vraag naar werknemers in de krimpgebieden? In het bijzonder voor MBO2- en MBO3- banen?

10. In hoeverre biedt sociale economie denkbare oplossingen voor laagopgeleide werknemers?

11. Welke rol spelen hoogopgeleiden en R&D voor de economische vitaliteit van krimpgebieden?

12. Welke rol spelen woonomgeving en woonmilieus in het binden van werknemers van buiten de krimpgebieden aan hun nieuwe woonomgeving?

13. Wat is de economische meerwaarde van directe OV-verbindingen en betere bereikbaarheid tussen perifere regio’s en de aangrenzende steden in binnenland (HSL naar het Noorden, snelle intercity naar Zeeland) en buitenland (bijvoorbeeld tussen Maastricht en Hasselt/Leuven/Aken)?

14. In hoeverre biedt een snellere internetverbinding (5G) een bereikbaarheidsoplossing voor bewoners en bedrijven in krimpgebieden?