Hoofdstuk 1: inleiding en algemene vragen

Om de kennisvragen in de juiste context te kunnen plaatsen, schetsen we hier kort een aantal belangrijke ontwikkelingen, zoals we die we vanuit Platform31 als coördinator van het KDT waarnemen en ook bevestigd zien in onderzoek. Allereerst zien we dat in de achterliggende jaren het fenomeen bevolkingsdaling in toenemende mate geaccepteerd is als onmiskenbaar feit. In de woorden van Frank Cörvers: de kramp is uit de krimp . Of in termen van de vier fasen en de vier B’s van Gert-Jan Hospers en Nol Reverda: krimp wordt steeds minder gebagatelliseerd en bestreden, maar meer en meer begeleid en benut . De acceptatie speelt niet alleen op politiek-bestuurlijk niveau, maar ook meer en meer binnen maatschappelijke organisaties (onderwijs, gezondheidszorg, zorg en welzijn).

Hiernaast zien we dat door de acceptatie van bevolkingskrimp ruimte komt voor nieuwe perspectieven en ideeën. De vragen ‘is er wel sprake van krimp?’ en ‘wat is krimp?’ hebben plaats gemaakt voor de vraag ‘hoe om te gaan met bevolkingsdaling op uiteenlopende terreinen’?
Bij het beantwoorden van de hoe-vraag wordt meer en meer gekozen voor een regionale optiek in de verschillende domeinen (woningmarkt, economie, zorg en welzijn) van het krimpdossier. Dit is een belangrijke verschuiving. In steeds mindere mate ligt het perspectief op het microniveau van dorpen, maar worden vraagstukken meer en meer vanuit hogere schaalniveaus bezien .

Verder wordt krimp nog meer dan voorheen als een breed vraagstuk beschouwd. Het gaat niet alleen over de leefbaarheid van dorpen – een vraagstuk dat al sinds jaren zestig speelt (‘de sociale levensvatbaarheid van de kleine plattelandskern’ ), maar ook over de transities in het sociale domein, de regionale woonvisie, keuzes in mobiliteit, zorg en onderwijs en de dynamiek en innovatiekracht van het bedrijfsleven. Waar mogelijk worden domeinen integraal benaderd.
Ook zien we dat het onderwerp stedelijke krimp meer nadrukkelijk onder de aandacht is gekomen, een fenomeen dat zich ook elders in Europa op grote schaal voordoet (shrinking cities, Schrumpfende Städte). Kunnen krimpende steden zich opnieuw uitvinden? Buitenlandse voorbeelden maken duidelijk dat hier nog heel veel mogelijk is .

Bovendien groeien stad en platteland in Nederland naar elkaar. De oppositie stad versus platteland heeft zijn scherpte verloren. Ook zonder fysieke verplaatsingen is het mogelijk via media en informatietechnologie kennis te nemen van ontwikkelingen en ideeën elders. Veel mensen ervaren het stedelijke leven als afleidend en opdringerig en zoeken juist de rust en ruimte van kleinschalige landelijke woonmilieus, dan wel ‘het beste van twee werelden’ . Hoe kunnen stad en platteland elkaar versterken en aanvullen?

Wat verder speelt, is dat de verschillen tussen krimpregio’s beter worden onderkend. Zo bestaan er grote verschillen tussen hun arbeidsmarkten, dat wil zeggen verschillen in werkloosheid en in aanbod van vacatures. Zo kennen Noordoost-Groningen en Noordoost-Friesland een ‘ruime arbeidsmarkt’ (relatief grote werkloosheid en een gering aanbod van vacatures), de Achterhoek een ‘stille arbeidsmarkt’ (relatief lage werkloosheid én een gering aanbod van vacatures), Zeeuws-Vlaanderen een ‘krappe arbeidsmarkt’ (relatief lage werkloosheid én een relatief groot aanbod van vacatures ) en in het geval van de Limburgse krimpregio’s is er sprake van ‘kwalitatieve discrepantie’ (relatief grote werkloosheid, maar tegelijkertijd ook een relatief groot aanbod van vacatures).

En er is tot slot de breed gedeelde opvatting dat het voor krimpregio’s cruciaal is om aan te sluiten bij de eigen krachten in het gebied. Motor van verandering zijn bewoners en ondernemers (ook de import). Het is de kunst daar als overheid als facilitator dicht op te zitten, waarbij de vraag is in hoeverre overheden zelf initiatieven kunnen entameren en in welke mate bewoners en ondernemers een steun of een steuntje in de rug nodig hebben, niet alleen van een gemeentelijke of provinciale overheid, maar ook van de landelijke overheid.

Algemene kennisvragen

Hieronder formuleren we een aantal kennisvragen die minder goed passen bij de drie categorieën waaronder we de rest van de kennisvragen hebben gerangschikt. Het gaat om de volgende.

1. Welke meerwaarde biedt regionale bestuurlijke samenwerking in een krimpende omgeving? Voor welke vraagstukken biedt samenwerking een (deel)oplossing? Is het nodig om (inter)regionale samenwerking – ook over landsgrenzen heen – te versterken en zo ja op welke wijze zou dit vorm moeten krijgen?

2. In hoeverre en op welke wijze biedt internationaal vergelijkend onderzoek meerwaarde in vraagstukken verbonden aan bevolkingsdaling? Zou aan het ontsluiten daarvan de komende jaren meer aandacht moeten geven? Hoe kan dat vorm krijgen?

3. Hoe kunnen we de vraagstukken van verstedelijking en bevolkingsdaling meer geïntegreerd benaderen, zodat we voor lange termijn beter inzichtelijk maken wat we met onze steden in relatie tot krimpende regio’s willen?

4. In hoeverre en op welke manier draagt bevolkingsdaling bij aan ruimtelijke ongelijkheid en segregatie?

5. Heeft nationaal beleid onbedoeld negatieve effecten voor krimpregio’s, bijvoorbeeld op het gebied van wonen, infrastructuur, economie en werkgelegenheid?