Laat Zeeland en Groningen niet langer verkommeren

Het is een illusie dat Zeeland en Oost-Groningen hun eigen verval zonder hulp kunnen keren

Begin deze maand overhandigde de Commissie Structuurversterking en Werkgelegenheid Zeeland het rapport Zeeland in stroomversnelling aan minister Kamp van Economische Zaken. De commissie had een ‘zorgelijk beeld’ overgehouden aan het doorlichten van de economische kracht van Zeeland. Vooralsnog gaat het best goed, was de boodschap, maar voor de toekomst is de economische structuur van Zeeland ontoereikend. De provincie telt bijvoorbeeld van alle Nederlandse provincies het geringste aantal hoogopgeleiden.

Het viel de commissie op dat in Zeeland snel voor steun naar het Rijk wordt gekeken. Ze mist in Zeeland het besef dat men ‘zelf de sleutel voor een belangrijk deel in handen heeft’. De woorden zijn een echo van het rapport van de Commissie Ruim Baan voor Oost-Groningen dat vorig jaar verscheen. In Kop d’r veur. Zonder beweging geen vooruitgang krijgen de Oost-Groningers meteen al in de eerste alinea de volgende berisping: ‘Lange tijd is er in Oost-Groningen gehoopt en wellicht verwacht dat de oplossing, de goede tijding van buiten zou komen. Liefst vergezeld van flink wat geld. Verandering echter begint altijd bij de eigen kracht. De eigen kracht moet in het gebied hervonden, gewaardeerd en ontwikkeld worden.’

Regionale winnaars en verliezers

Hebben economisch zwakke regio’s werkelijk zelf de sleutel in handen? Na de Tweede Wereldoorlog was lange tijd de inzet van de Rijksoverheid om, uit overwegingen van solidariteit, de bedrijvigheid gelijkmatig over de nationale ruimte te verdelen. Gebieden met een zwakke economische structuur werden met infrastructuur, fabrieken en het spreiden van rijksdiensten geholpen. De haven van Delfzijl, de studiefinanciering in Groningen en de Universiteit Maastricht zijn daar de vruchten van. Planningsontnuchtering en een slinkend geloof in het economisch interveniëren in wegzakkende regio’s maakten hier een einde aan. Vanaf het midden van de jaren tachtig werden de kaarten gezet op de regionale winnaars, op de ‘pieken in de Delta’. Verliezers mochten zich op hun eigen kracht gaan richten.

De vraag is: begint dit perspectief van zelfredzaamheid en regionale eigen kracht na bijna drie decennia niet sleets te raken? In eerste instantie werkte deze benadering productief, verfrissend en uitdagend: wat kan je wél zelf, waarin ben je goed en onderscheidend, wat is hier het economisch dna, welke tradities zijn innovatief te transformeren, bij welke directe omgeving (aangrenzende regio’s, buurlanden) kan je als regio economisch aansluiten?

Maar ergens houdt het op. Uit de recente Economische Vitaliteitsscan van Noordoost-Friesland blijkt dat in deze regio het aantal banen tussen 2008 en 2015 met 9 procent is afgenomen (landelijk 3 procent). En in De Staat van Zeeland 2013 lezen we dat tussen 2009 en 2013 de jeugdwerkloosheid in Zeeland is geëxplodeerd en dat er in de provincie 16.000 woningen leegstaan – de hoogste leegstand van alle provincies. Achterblijvende regio’s zien zichzelf geconfronteerd met opgaven die hun eigen kracht te boven gaan. Wat te doen met alle leegstaande woningen en in verval rakende agrarische bedrijfsgebouwen? Sloop is geboden, maar de kosten zijn hoog.

Het vertrek van hoger opgeleide jongeren erodeert het maatschappelijk weefsel van perifere regio’s. Het is het gepensioneerde hoger kader van de Deltawerken dat de schouwburg in Middelburg en de besturen van Zeeuwse culturele instellingen overeind houdt. Wie volgt hen op? In perifere noordelijke regio’s en in delen van Limburg zijn traditionele politieke partijen electoraal van de kaart geveegd. In deze regio’s, berichtte het CBS onlangs, groeit het wantrouwen ten opzichte van ambtenaren, politici en medeburgers. Bewoners voelen zich in de steek gelaten. Het zijn vooral laag- en middelbaar opgeleide jongeren die in deze regio’s blijven wonen, maar zij hebben weinig kansen op stabiel werk. Hoe rijmt Jan van Zijl dit met de nadruk die zijn Commissie Ruim Baan voor Oost-Groningen legde op eigen regionale kracht? Welke ‘gouden sleuteltjes’ heeft wie daar in handen? Of is het vooral een diep gekoesterd geloof in sprookjes met een happy end?

Verdienen de achterblijvende regio’s niet meer nationale politieke aandacht? De groeiende ruimtelijke segregatie wordt door journalisten (‘Het Noorden is opgegeven’) en economen in bloemrijke bewoordingen (‘veranderende geografie’, ‘uitsortering’, ‘agglomeratie-effecten’) aan de orde gesteld. Zijn economische activiteiten werkelijk niet beter over het land te spreiden? Toenemende economische ongelijkheid wordt steeds vaker als bron van sociale, economische en politieke problemen opgevoerd.

Nationale solidariteit met kwetsbare perifere regio’s lijkt geboden – juist ook uit welbegrepen eigenbelang. Nederland heeft lange tijd een minister of staatssecretaris voor Grote Stedenbeleid gehad. Een Memorandum Grote Steden (1994) gaf daar ooit de aanzet toe. Is de tijd niet rijp voor een minister voor onze krimpende perifere regio’s? D66-leider Pechtold stelde dit in maart 2015 al eens voor bij de aanloop naar de Provinciale Statenverkiezingen (‘een minister voor de krimp’). De groeiende ruimtelijke segregatie en de daarmee gepaard gaande sociaal-economische verschillen, vragen van politieke partijen een herbezinning op regionaal economisch beleid.

Radboud Engbersen, Platform31

Dit opiniestuk is eerder gepubliceerd in de Volkskrant (28 juni 2016)

Neer informatie

Voor het Tijdschrift voor Sociale Vraagstukken maakte Radboud Engbersen samen met Monique Kremer afgelopen tijd een ronde langs de ‘randen van Nederland’. Hoe staat het met de economie langs onze lands- en zee-grenzen. De vier afleveringen van het tijdschrift waarin zij verslag doen zijn hieronder te lezen.

Aflevering 1: Limburg

Aflevering 2: de Achterhoek

Aflevering 3: Groningen

Aflevering 4: Zeeland